Bof-epidemie ondanks BMR-vaccin

Juist nu de gezondheidsautoriteiten schoorvoetend moeten toegeven dat er wel eens een verband zou kunnen zijn tussen de BMR-prik (bof-mazelen-rubella) en autisme, blijkt ook nog uit een nieuw onderzoek dat de prik niet eens werkt.
De onderzoekers die een grote uitbraak van de bof in 2006 bestudeerden, waarin 6584 gevallen gemeld werden onder studenten, ontdekten dat vrijwel elke patiënt tweemaal gevaccineerd was tegen de ziekte. De Centers for Disease Control (CDC) in Atlanta in de staat Georgia onthulden dat minstens 84 procent van de jonge volwassenen in de leeftijd van 18 tot 24 jaar tweemaal een inenting tegen de bof had gekregen. En in 2006, het jaar dat deze uitbraak plaatsvond, was het nationale percentage van tweemaal gevaccineerden onder adolescenten zelfs 87 procent, het hoogste in de Amerikaanse geschiedenis en enkel een procent onder de ideale proportie voor ‘herd immunity’: het percentage waarbij ook niet-gevaccineerden profiteren van de vaccinatie doordat de kans een besmet persoon tegen te komen minuscuul wordt.
De CDC-onderzoekers veronderstelden dat de uitbraak, die grotendeels onder 18- tot 24-jarigen plaatsvond, ontstaan was doordat de ‘verkeerde soort bof’ gebruikt was. Het vaccin was gemaakt ter bescherming tegen de A-variant van het bofvirus, terwijl de uitbraak in 2006 werd veroorzaakt door de G-stam. Ondanks de tekortkoming van het vaccin denkt het CDC-team toch dat de oplossing ligt in een derde dosis van het BMR-vaccin. Ook de tweede BMR-prik werd geïntroduceerd na een uitbraak van de bof en wel in 1980, toen kinderen die slechts een enkele vaccinatie hadden gehad, de bof kregen.
Een derde dosis lijkt echter een maatregel die niet gemakkelijk in te voeren zal zijn in een tijd dat de gezondheidsautoriteiten eindelijk beginnen in te zien dat het BMR-vaccin bijwerkingen kan hebben onder kinderen met een ‘mitochondriële aandoening’1. 

1N Engl J Med, 2008; 358: 1580-1589
 

Trefwoorden
BMR, bof