Het gezichtsvermogen hoeft niet af te nemen met de leeftijd. Uit onderzoek zijn twee eenvoudige manieren gevonden om het gezichtsvermogen tot op hoge leeftijd te behouden en de grootste effecten van maculadegeneratie te voorkomen. Bij een review van de levensstijl en het gezichtsvermogen van 4753 proefpersonen vanaf 65 jaar ontdekten de onderzoekers dat diegenen die supplementen met antioxidanten namen, zoals vitamine A, C en E, en die niet in direct zonlicht kwamen, vaker goede ogen hadden op hogere leeftijd.
Maculadegeneratie komt veel voor onder ouderen. Men ging er altijd vanuit dat het bij het ouder worden hoort. Maar de onderzoekers ontdekten dat mensen die een hoge concentratie antioxidanten hadden, een vier maal zo klein risico liepen dat ze dit probleem kregen. Tevens bevelen de onderzoekers aan een zonnebril te dragen bij felle zon of zelfs helemaal in de schaduw te blijven, aangezien we zo wellicht ook het gezichtsvermogen beschermen.
Bron: Archives of Ophthalmology, 2008; 126: 1396-1403
Verband met roken
Het meest overtuigende bewijs voor een verband tussen chemische stoffen en obesitas is waarschijnlijk afkomstig uit onderzoek naar roken bij zwangeren. Daaruit blijkt dat kinderen wier moeder rookte tijdens de zwangerschap, ongeveer twee keer zo veel kans hebben dat ze obesitas krijgen als kinderen van niet-rokende moeders. In een overzichtsanalyse dat werd gepubliceerd in het Maternal and Child Health Journal, werden in totaal acht onderzoeken gevonden waaruit bleek dat kinderen die door hun rokende moeder prenataal aan roken waren blootgesteld, een significant verhoogd risico liepen van overgewicht en obesitas in de kinderjaren. De odds ratio bevond zich meestal rond de 1,5 tot 2,0 (wat betekent dat een kind van een rokende moeder 1,5 tot 2 keer zo veel kans heeft op overgewicht of obesitas vergeleken met een kind van een niet-rokende moeder)15.
Natuurlijk kunnen andere leefstijlfactoren ook een belangrijke rol spelen, zoals de voeding in de kindertijd en de sociaal-economische status. In een aantal onderzoeken werden voor deze factoren echter een correctie of andere aanpassingen in de berekeningen uitgevoerd en toch werden dezelfde resultaten gevonden. Cruciaal is dat bij één onderzoek bleek dat vooral het roken voor of tijdens en niet na de zwangerschap het risico van obsesitas in de kinderjaren verhoogde. Daaruit valt op te maken dat de blootstelling aan roken in de baarmoeder de boosdoener is, veeleer dan andere leefstijlfactoren van het gezin16.
Buiten deze onderzoeken met mensen geeft ook een groeiende hoeveelheid bewijzen uit dierproeven aan dat roken bij de moeder obesitas kan veroorzaken bij het nageslacht. Bij verschillende onderzoeken (met ratten en rhesusaapjes) bleek dat het nageslacht van dieren die tijdens de zwangerschap nicotine kregen toegediend, bij de geboorte kleiner was, maar wel meer lichaamsvet had. Bij andere onderzoeken werden ratjes prenataal blootgesteld aan een lage dosis nicotine. Zij waren niet kleiner bij de geboorte, maar wel zwaarder op de leeftijd van 5 tot 10 weken en hadden meer lichaamsvet17.
Gezamenlijk geven deze dierexperimentele onderzoeken en de onderzoeken met mensen aan dat obesitas een van de negatieve effecten van roken in de zwangerschap is. Bovendien verlenen ze extra gewicht aan de opvatting dat milieuvervuiling in de baarmoeder grote effecten in het latere leven kan hebben.
Hormonale verwarring
Hoewel er nog veel meer onderzoek nodig is, lijken de onderzoeken tot op heden in elk geval aan te geven dat blootstelling aan stoffen, met name vroeg in het leven, een belangrijke rol speelt bij het ontstaan van obesitas. Maar hoe kunnen die veelvoorkomende stoffen ons dik maken?
Niemand kan die vraag met zekerheid beantwoorden, maar de meest gehoorde theorie is dat bepaalde stoffen de hormonale huishouding in de war brengen. Hormonen spelen een sleutelrol bij de regulering van de stofwisseling en de beheersing van het lichaamsgewicht. Ftalaten, BPA en POPs behoren, samen met een aantal andere stoffen die eveneens in verband gebracht zijn met obesitas (zie kader op p.xx), allemaal tot een groep stoffen genaamd ‘endocrine disruptors’, wat wil zeggen dat bekend is dat ze de werking verstoren van hormonen die belangrijke biologische processen reguleren. In het verleden zijn stoffen uit deze groep in verband gebracht met voortplantingsproblemen en met kanker, maar tegenwoordig komt ook obesitas naar voren als een ernstig gevolg van dergelijke stoffen18.
Iemand die deze theorie onderschrijft, is Retha Newbold, ontwikkelingsbioloog bij het Programma Milieu en Toxicologie van het Amerikaanse National Institute of Environmental Health Sciences (NIEHS). Volgens haar is al overtuigend bewezen dat door blootstelling aan endocriene disruptoren op cruciale momenten in de celdifferentiatie, zoals tijdens de foetale ontwikkeling in de baarmoeder, blijvende of langdurige effecten kunnen optreden die soms pas later in het leven tot uitdrukking komen of ontdekt worden. Uiteraard blijft blootstelling op volwassen leeftijd ook een bron van zorg, maar een foetus is extra kwetsbaar voor endocriene disruptoren doordat de beschermingsmechanismen die volwassenen tot hun beschikking hebben, bij foetussen nog niet volledig functioneren (zie kader op p.xx)19. ‘Zo'n [prenatale] blootstelling verandert waarschijnlijk mechanismes die betrokken zijn bij de handhaving van het gewicht,’ aldus Newbold. ‘We proberen er nog steeds achter te komen of het gaat om een direct effect op de vetcellen en de manier waarop die differentiëren (zich ontwikkelen) en groeien, of om een verstoring van de terugkoppelmechanismes in de stofwisseling’20. Wat roken betreft denken wetenschappers dat door blootstelling aan nicotine in de baarmoeder er eetlustregulerende neurologische systemen in de hersenen veranderen evenals in het perifere noradrenerge systeem, dat betrokken is bij de regulering van de stofwisseling in vetweefsel20. Ook andere componenten van sigarettenrook, zoals cadmium en lood, hebben mogelijk een schadelijk effect op de ontwikkeling dat uiteindelijk tot overmatige gewichtstoename leidt21,22.
Wat het achterliggende mechanisme ook moge zijn, het wordt steeds duidelijker dat een groot aantal stoffen in het milieu al bij een lage concentratie obesitas kunnen stimuleren. Dat deze zogeheten ‘obesinogenen’ er zijn, houdt in dat het belangrijker is dan ooit dat we zoveel mogelijk proberen te vermijden dat we aan chemische stoffen worden blootgesteld, niet alleen voor onze eigen gezondheid maar ook voor die van de toekomstige generaties.
Joanna Evans
1 Curr Drug Targets, 2007; 8: 923-934
2 Nederland in Balans; Masterplan Preventie Overgewicht 2005-2010. Voedingscentrum: Den Haag, 2005
3 Reprod Toxicol, 2007; 23: 290-296
4 Occup Environ Med, 2009; 66: 143-149
5 http://news.msu.edu/story/6081
6 Environ Health Perspect, 2009; 117: 122-126
7 Acta Paediatr, 2008; 97: 1465-1469
8 JAMA, 2008; 300: 1303-1310
9 Environ Health Perspect, 2008; 116: 1642-1647
10 Environ Health Perspect, 2004; 112: A344
11 J Atheroscler Thromb, 2007; 14: 245-252
12 Endocr J, 2004; 51: 165-169
13 Environ Health, 2008; 7: 27
14 Envrion Health Perspect, 2007; 115: 876-882
15 Matern Child Health J, 2007; 11: 461-473
16 Eur J Pediatr, 2002; 161: 445-448
17 In J Obes [Lond], 2008; 32: 201-210
18 Mol Nutr Food Res, 2007; 51: 912-917
19 Reprod Toxicol, 2007; 23: 290-296
20 Environ Health Perspect, 2004; 112: A344
21 J Altern Complement Med, 2002; 8: 185-192
22 Toxicol Lett, 1999; 104: 1-9
Overige chemische boosdoeners
- Diëthylstilbestrol (DES). Dit synthetische oestrogeen, dat vanaf de jaren veertig tot in de jaren zeventig op grote schaal werd voorgeschreven tijdens zwangerschap met een verhoogd risico van een miskraam, bleek in verschillende experimenten met muizen obesitas te bevorderen. Muizen die in de baarmoeder of kort na de geboorte werden blootgesteld aan DES, waren als pasgeborene kleiner dan de controlemuizen die niet behandeld werden, maar werden significant veel groter tegen de tijd dat ze de puberteit bereikt hadden. De te zware muizen die aan DES blootgesteld waren en de controlemuizen met normaal gewicht hadden een vergelijkbaar voedselpatroon en vergelijkbare lichaamsbeweging, maar toch bouwden de DES-muizen meer lichaamsvet op. In sommige gevallen hadden ze ook meer moeite glucose te verwerken1.
- Tributyltin (TBT). Dit is een organotinverbinding (een samengestelde stof op basis van tin) die in pvc-plastics zit en in verf die gebruikt wordt om de aangroei van algen en zeepokken op boten tegen te gaan. Deze stof zou ook een belangrijke ‘obesogeen’ kunnen zijn, zo blijkt uit onderzoek door Bruce Blumberg, universitair hoofddocent aan de afdeling ontwikkelings- en celbiologie van de universiteit van California in Irvine. Bij zijn laboratoriumonderzoek met pure TBT bleek dat deze stof bij dieren ingreep op de activiteit van receptoren in de cel, waardoor uiteindelijk blijvende fysiologische veranderingen ontstonden die het dier vatbaar maakte voor gewichtstoename. ‘Na deze prenatale blootstelling werden ze niet verder blootgesteld aan meer tributyltin,’ zo legt Blumberg uit, ‘kregen ze normaal te eten, normale lichaamsbeweging, en werden ze toch significant veel dikker’2. Al is er geen onderzoek beschikbaar met mensen, toch valt uit bestaande onderzoeken op te maken dat een significant deel van de menselijke bevolking blootstaat aan de obesogene effecten van TBT3.
- Polybroomdifenylethers (PBDE). Uit recent onderzoek met ratten (waarvan de bevindingen dus niet meteen toepasbaar zijn op mensen) bleek dat door dagelijkse blootstelling aan deze veelvoorkomende ‘endocriene disruptoren’, die in vele producten als vlamvertrager gebruikt worden, van vloerbedekking tot computers en van tv’s tot broodroosters, verschillende ‘kenmerkende symptomen van metabole obesitas’ ontstonden4.
1 Reprod Toxicol, 2007; 23: 290-296
2 Environ Health Perspect, 2007; 115: A242
3 Endocrinology, 2006; 147 [6 Suppl]: S50-55
4 Obesity [Silver Spring], 2007; 15: 2942-2950
De gevoelige vrucht
Hoewel de blootstelling aan endocriene disruptoren voor volwassenen ook zorgwekkend is (zoals blijkt uit de recente onderzoeken naar ftalaten), is het grootste deel van de onderzoeken naar het verband tussen deze stoffen en obesitas gericht op de foetus. Een organisme in ontwikkeling is namelijk extreem gevoelig voor stoffen met een hormoonachtige werking.
In een recent wetenschappelijk overzichtsartikel van Retha Newbold en collega's wordt uitgelegd dat ‘negatieve effecten het meest uitgesproken zullen zijn in de ontwikkelingsfase van een organisme en dat ze in die fase al optreden bij concentraties van de veroorzakende stof die veel lager zijn dan die waarbij een volwassene schade zou ondervinden … De beschermende mechanismes die de volwassene tot zijn beschikking heeft, zoals herstelmechanismes voor dna, een competent immuunsysteem, ontgiftende enzymen, het levermetabolisme en de bloed/hersenbarrière, werken bij de foetus of pasgeborene nog niet volledig. Daar komt bij dat een organisme in ontwikkeling een snellere stofwisseling heeft dan een volwassene. Dat kan in sommige gevallen de toxiciteit verhogen’1.
Uit talloze onderzoeken blijkt dat een foetus die tijdens de ontwikkeling wordt blootgesteld aan stoffen die een hormonale verstoring geven, later in het leven daarvan de negatieve effect kan ondervinden, zoals voortplantingsproblemen en zelfs kanker2. Intussen is er ook overtuigend bewijs waaruit valt op te maken dat deze blootstelling tevens een rol zou kunnen spelen bij de ontwikkeling van obesitas, met name doordat de programmering van de ontwikkeling erdoor wordt veranderd.
Zoals in het overzichtsartikel van Newbold staat: ‘Aangezien uit een recent onderzoek bewijzen naar voren kwamen dat genen die in de ontwikkeling tot expressie komen (oftewel, ze worden een huidcel, een oogcel, of wat voor cel dan ook, et cetera) een rol spelen bij het ontstaan van obesitas en de vetverdeling over het lichaam, is het zeker mogelijk dat door vroege blootstelling aan stoffen met hormonale werking in het milieu de genetische programmering van adipocyten (vetcellen) en hun verdeling worden veranderd.’1
1 Reprod Toxicol, 2007; 23: 290-296
2 Mol Nutr Food Res, 2007; 51: 912-917
Hoe voorkomt u schade?
Zwangere vrouwen kunnen de volgende stoffen het best vermijden:
- Persisterend organische vervuilers (POPs). We worden het meest aan POPs blootgesteld door dierlijke vetten te eten, met name vette vis en vlees met een hoog vetgehalte. Door minder van zulke vetten te eten en door biologische voeding te kiezen kunt u blootstelling aan POPs tot een minimum beperken.
- Bisfenol A (BPA). Deze stof zit in polycarbonaten (een soort plastic), in de binnenkant van conservenblikken en in sealmiddelen in de tandheelkunde. U kunt ze op verschillende manieren vermijden:
- Gebruik verse, onbewerkte voedingsmiddelen en vermijd zoveel mogelijk voedsel uit blik.
- Vermijd flessen, bewaardozen en verpakkingen van polycarbonaten, herkenbaar aan het cijfer 7 in het recycle logo, aangezien deze meestal BPA bevatten. In het algemeen zijn deze verpakkingen van onbuigbaar, transparant plastic. Plastics met het nummer 1, 2 of 4 erop zijn veiliger, aangezien die geen BPA bevatten.
- Gebruik babyflesjes van glas of gemaakt van polypropyleen en polyethyleen plasticsoorten. Dat zijn buigbare, opake plastics die geen BPA bevatten. Ook flesjes van het merk Medela, bedoeld om moedermelk in te bewaren, zijn BPA-vrij.
- Kies glazen in plaats van plastic waterflessen of drink water uit de kraan (gefilterd). Gebruik geen metalen waterflessen aangezien die aan de binnenkant bekleed kunnen zijn met een plasticsoort met BPA.
- Gebruik geen plastic schalen in de magnetron. Aardewerk, glas en ander magnetronbestendig servies is gezonder.
- Bewaar geen voeding en drank in plastic verpakkingen. Glas en roestvrij staal zijn beter en veiliger.
- Ftalaten. Deze worden in grote hoeveelheden geproduceerd en gebruikt in vele producten, van cosmetica tot voedselverpakkingen tot kinderspeelgoed. We worden eraan blootgesteld door inname van voedsel en water, absorptie via de huid of inhalering van vervuilde lucht1. Volgens het rapport Pollution in People van de Toxic-Free Legacy Coalition in Amerika2 is blootstelling aan ftalaten te verminderen door de volgende producten te kiezen:
- Bouwproducten zonder pvc. Koop liever geen deuren en ramen van vinyl, maar van hout. Gebruik voor vloeren liever linoleum, kurk, bamboe of hout dan vinyl. Ook lijmstoffen, breeuwsel (om kieren te dichten), grout (een cementmengsel voor funderingen e.d.) en afdichtingsmiddelen kunnen ftalaten bevatten. Kijk dus altijd naar de ingrediënten voor u iets koopt.
- pvc-vrije douchegordijnen. Gebruik in plaats van een vinyl douchegordijn liever natuurlijk materiaal, polyester of nylon.
- pvc-vrije verpakking. Let op het recycle logo op de producten die in plastic verpakking worden verkocht. Staat er een nummer 3 in, dan bevat de plastic PVC.
- pvc-vrij speelgoed. Hoewel er in veel landen wettelijke regels zijn voor de toepassing van bepaalde ftalaten in speelgoed, blijft het een goed idee producten van fabrikanten te kiezen die zich gecommitteerd hebben helemaal geen ftalaten meer te gebruiken, zoals Lego, Brio en Chicco.
- pvc-vrije verpakking voor voeding. Koop plastic folie en bewaarzakjes van polyethyleen in plaats van pvc. Gebruik glas voor het bewaren van voedsel of gebruik plastics waarop het recycle logo een ander cijfer dan 3 of 7 vertoont (om ook BPA te vermijden).
- Cosmetica zonder ftalaten. Lees de ingrediënten op verpakkingen en vermijd producten met ‘geurstoffen’ of ftalaten. Kies producten van bedrijven als Dr Hauschka, Lavera en Weleda, die er een punt van maken natuurlijke ingrediënten te gebruiken.
1 Environ Health, 2008; 7: 27
2 www.pollutioninpeople.org


