Fluoride mag worden gebruikt in voedingssupplementen in de EU, nu het is geaccepteerd als een veilig ingrediënt volgens de hoogste Europese instantie voor voedingsrichtlijnen de European Food Safety Authority (EFSA). Deze beslissing betekent dat fabrikanten van supplementen nu aan hun producten kalium-monofluorfosfaat mogen toevoegen, de gebruikelijke vorm van fluoride die al in tandpasta en mondwaters zit.
Het behoeft geen toelichting dat de EFSA zich hiermee de woede op de hals gehaald heeft van de Alliance for Natural Health (ANH). Deze non-profit organisatie die opkomt voor consumenten, gezondheidszorgverleners en bedrijven die gezonde voeding produceren of verkopen, vraagt met spoed om een onderzoek.
Dr. Damien Downing, medisch directeur van de ANH, stelt: 'Het is al erg genoeg om je tanden te poetsen of je mond te spoelen met fluoride. Het is gewoon extreem onverantwoord het mogelijk te maken dat het in voedingssupplementen verschijnt, terwijl het zeer moeilijk is vast te stellen aan hoeveel fluoride iemand al blootgesteld wordt.' De Alliance stelt ook dat de EFSA buiten zijn boekje gegaan is. Aangezien van fluoride wordt verondersteld dat het medicinale eigenschappen bezit, moet de beslissing om het al dan niet in voedingssupplementen toe te laten genomen worden door het European Medicines Agency.
Meer hartziekte
In de tussenliggende decennia zijn er nieuwe bewijzen gevonden voor het feit dat een hoge consumptie van omega-6-vetten niet beschermt tegen, maar juist samenhangt met een grote toename van het aantal hartziekten. In de bekende Lyon Diet Heart Study kregen Franse hartpatiënten ofwel het ‘hart-dieet’ dat de AHA aanbeveelt, met veel meervoudig onverzadigde vetten, ofwel het mediterrane dieet, waarbij meervoudig onverzadigde vetten werden vervangen door olijfolie, dat rijk is aan oliezuur, een omega-9-vetzuur dat enkelvoudig onverzadigd is. Zij die het mediterrane dieet volgden hadden een vermindering van alle doodsoorzaken met 70 procent, inclusief hartziekte en kanker2.
Bij de Framingham Heart Study die vanuit Massachussetts gedaan wordt, is ontdekt dat mensen met een verhoogd risico van hartziekte geen bescherming ondervonden van een hoge inname van omega-6-vetten. Hun atherosclerose werd zelfs erger3.
Bekend is inmiddels dat omega-6-vetten bij mensen met een erfelijke aanleg voor atherosclerose de ziekte juist kunnen bevorderen: mensen met het 5-lipoxygenase (LOX) genotype krijgen bij een hoge inname van omega-6-vetten verharding van de vaatwanden, terwijl omega-3-vetten juist beschermend werken4. Ook hangt een hoge inname van omega-6-vetten samen met een toename van hartziekten. Bij een Fins onderzoek werd een verband gevonden tussen een hoge consumptie van omega-6-vetten en een verhoogde oxidatie (verbranding) van LDL-cholesterol (het ‘slechte’ cholesterol dat atherosclerose kan veroorzaken)5.
Borstkanker
Behalve met hartziekten is consumptie van te veel omega-6-vetten, zoals aanbevolen door de AHA, in maar liefst drie grootschalige onderzoeken in verband gebracht met borstkanker. Hoewel uit eerdere epidemiologische onderzoeken leek op te maken dat omega-6-vetzuren beschermend werkten tegen borstkanker, blijkt uit de nieuwste bevindingen het omgekeerde. Bij een recent Zweeds onderzoek werd bij een hoge inname van omega-6-vetten (meer dan 17,4 gram/dag) de incidentie van borstkanker twee keer zo hoog bij vrouwen met een erfelijke aanleg daarvoor6. Bij deze vrouwen zet het LOX enzym, dat gewoonlijk in het lichaam aanwezig is, omega-6-vetten om in leukotriënen, die ontstekingsprocessen bevorderen en een rol spelen bij het ontstaan van vele aandoeningen, variërend van astma en hartziekte tot een groot aantal vormen van kanker (van de borst, dikke darm, longen en andere organen).
Uit die bewijzen valt op te maken dat een overmaat aan omega-6-vetten niet ontstekingsremmend werkt, maar juist chronische ontstekingsprocessen in het lichaam veroorzaakt, met een scala aan ziektebeelden als mogelijk gevolg.
Voordelen omega-3 tenietgedaan
In sterk contrast daarmee staat de grote hoeveelheid onderzoeken waaruit blijkt dat omega-3-vetten wel beschermende werking hebben. Aangetoond is dat visolie de incidentie verlaagt van hart-/vaataandoeningen zoals hoge bloeddruk en atherosclerose7, en depressie en kanker voorkomt. Tevens zijn deze vetten nuttig gebleken tegen een groot aantal ziekten waaronder diabetes, colitis ulcerosa (chronische ontsteking van het slijmvlies van de dikke darm), reuma en de ziekte van Raynaud8,9,10.
Het meest verontrustend is dat een overmatige inname van omega-6-vetzuren de gunstige werking van omega-3-vetten blijkt tegen te houden. Bij Canadees onderzoek bleek dat de positieve effecten van ALA op het hart alleen optraden als de voeding tevens weinig omega-6-vetzuren bevatte, zoals bij het mediterrane dieet11.
Verkeerde verhouding
Inmiddels stellen wetenschappers zich de vraag of omega-6-vetten werkelijk van belang zijn voor de gezondheid bij mensen. Uit recente bewijzen lijkt op te maken dat de allereerste onderzoeken naar omega-6-vetten verkeerd opgezet waren doordat ze uitgingen van de verkeerde veronderstelling dat de gezondheidsproblemen van de dieren die voeding kregen met te weinig essentiële vetzuren, te wijten waren aan een omega-6-tekort in plaats van een omega-3-tekort12.
De meeste onderzoekers echter geloven niet dat het probleem de omega-6-vetten op zichzelf zijn, die per slot van rekening ook noodzakelijk zijn voor de gezondheid, maar de grote overdosis ervan waardoor de voor het lichaam beschikbare hoeveelheid omega-3-vetten vrijwel geëlimineerd wordt. Deze twee vetsoorten moeten namelijk met elkaar strijden om dezelfde enzymen die ze omzetten in nuttige stoffen voor het lichaam.
Dat is een verontrustend gegeven omdat de gemiddelde inname van omega-3-vetten in een westers eetpatroon toch al zeer laag is: in Engeland en Amerika slechts een achtste van de dagelijks aanbevolen 650 mg EPA plus DHA die de Amerikaanse overheid adviseert. Nederland wordt 450 mg aanbevolen, waarvan wij nog niet een kwart consumeren. Tachtig tot negentig procent van de gebruikte meervoudig onverzadigde vetzuren bestaat uit linolzuur (omega-6). De rest is voornamelijk alfa-linoleenzuur (omega-3)1. Dat is dus een verhouding die niet gezond is.
Bij onze voorouders
Het voedingspatroon van onze voorouders was rijk aan omega-3-vetten: de verhouding tot omega-6-vetten was 1:1, tegenover de huidige verhouding van 1:10 in Nederland tot wel 1:16 in Amerika. Door die verhouding te verlagen naar, idealiter, 1:1 zijn veel van de schadelijke effecten van een teveel aan omega-6-vetten te keren. Bij een verhouding van 1:4 is er bijvoorbeeld wel eens een afname gemeten van de totale sterfte met 70 procent.
Het zou echter zo kunnen zijn dat er niet zoiets is als een ideale verhouding die voor alles en iedereen hetzelfde is. Verschillende ziekten reageren op verschillende verhoudingen van omega-3- ten opzichte van omega-6-vetten en de optimale verhouding blijkt afhankelijk te zijn van de mate van ziekte. Hoe ernstiger de ziekte, des te dichter bij 1:1 de verhouding zou moeten zijn.
Een verhouding van 1:5 bleek patiënten met astma goed te doen (terwijl een verhouding van 1:10 de astma deed verergeren). Bij mensen met reumatoïde artritis had de verhouding van 1:5 geen effect terwijl bij een verhouding van 1: 2-3 de ontstekingsprocessen werden geremd. Bij een nog lagere verhouding bleek uitzaaiing van kanker te verminderen: een verhouding van 1:2,5 deed de celvermeerdering in de einddarm bij colorectale kanker afnemen terwijl een verhouding van 1:4 geen effect had13.
Bij dierproeven bleek een verhouding van 1:4 de cognitieve effecten te vergroten zoals geheugenfunctie. Zoals gebruikelijk valt hierbij aan te tekenen dat de resultaten niet zonder meer zijn door te trekken naar de menselijke soort14.
De beste keuze lijkt het, de koers te varen van onze voorouders en aan te sturen op een gelijke hoeveelheid van beide, en vervolgens naar de tekenen van uw lichaam te luisteren.
Lynne McTaggart
1 http://www.voedingscentrum.nl/nl/eten-gezondheid/voedingstoffen/vetten/consumptiecijfers.aspx
2 Circulation, 1999; 99: 779-785
3 Circulation, 2006; 113: 2062-2070
4 N Engl J Med, 2004; 350: 29-37
5 Am J Clin Nutr, 1996; 63: 698-703
6 Cancer Epidemiol Biomarkers Prev, 2008; 17: 2748-2754
7 Circulation, 2000; 102: 2677-2679
8 Nutr Red, 1996; 54: S102-108
9 Am J Clin Nutr, 1991; 54: 438-463
10 Am J Clin Nutr, 2000; 71: 171S-175S
11 Am J Physiol Heart Circ Physiol, 2007; 293: H2919-2927
12 Prog Lipid Res, 2003; 42: 544-556
13 Biomed Pharmacother, 2002; 56: 365-379
14 Proc Natl Acad Sci USA, 1993; 90: 10345-10349
Hoeveel te nemen?
• Streef zoveel mogelijk naar een verhouding van 1:1, maar de hoeveelheid die u nodig heeft hangt af van uw gezondheid.
• Bij ziekte luidt een voedingskundig advies van 300 mg EPA en DHA per 4,5 kg lichaamsgewicht. Dat komt overeen met de gemiddelde eetlepel levertraan, of 10 capsules, voor iemand die 60 kg weegt.
• Probeer bij afname van de ziektesymptomen de dosering omega-3-vetzuren te verlagen.
• Neem deze supplementen tegelijk met andere: aangezien EFA’s instabiel zijn en gemakkelijk geoxideerd worden – hetgeen schadelijke vrije radicalen geeft – kunnen ze het beste altijd met natuurlijk geproduceerde vitamine E worden genomen.
• Zorg dat het merk visolie dat u gebruikt geen kwik en PCB’s bevat. Daarvoor is enig onderzoek nodig, bijvoorbeeld door contact op te nemen met de fabrikant en naar onafhankelijke beoordelingen van het product te zoeken.
• Gebruik olijfolie in het eten in plaats van meervoudig onverzadigde vetzuren en verhit de oliën nooit.
• EFA’s zijn voor hun vertering in het lichaam afhankelijk van andere voedingstoffen. Zorg dat u voldoende vitamines B en C binnenkrijgt, evenals magnesium, calcium en zink.
• Koop producten met een therapeutische dosis vitamine E zodat de olie niet ranzig wordt.
Lijnzaadolie versus visolie
Wie vegetarisch is kan kiezen voor lijnzaadolie of walnootolie als bron van omega-3. Let er echter op dat beide oliën de precursor alfalinoleenzuur (ALA) bevatten, die nog moet worden omgezet in EPA en DHA voor een optimaal resultaat. Die omzetting verloopt niet bepaald efficiënt, vooral niet naarmate men ouder wordt1 en bij een verhoogd insulinegehalte. Dat laatste remt het enzym delta-6-desaturase, dat noodzakelijk is bij de omzetting van ALA in EPA en DHA.
1 Am J Clin Nutr, 1991; 54: 438-463
Hoe zit ’t nou precies?
X--------------------- ENZYMEN -----------------------X
Linolzuur en alfalinoleenzuur zijn beide essentieel, dat wil zeggen dat het lichaam deze stoffen niet zelf kan maken en dat we deze via voeding binnen moeten krijgen.
Linolzuur wordt omgezet in Gammalinoleenzuur (GLA) en arachidonzuur
Alfalinoleenzuur kan worden omgezet in EPA en DHA; DHA en EPA zijn daarom niet essentieel. Omdat deze omzetting vaak niet efficiënt is (zeker bij ouderen en ook minder bij mannen) worden EPA en DHA wel semi-essentieel genoemd.
Voor de afbraak van linolzuur en alfalinoleenzuur zijn dezelfde enzymen nodig. De afbraak van linozuur gaat voor. Daardoor komt het dat wanneer de inname van omega 6 veel te hoog is, alfalinoleenzuur niet meer wordt afgebroken in EPA en DHA. Bij onze voorouders was de verhouding omega 3:omega 6 1: 1, nu is deze in Nederland 1:10, getuige de tabel in het kader ‘Nederlandse cijfers’.
Nederlandse cijfers
In 2007 deed TNO in opdracht van het voorlichtingsbureau Margarine,Vetten en Oliën onderzoek naar de consumptie van vetten in Nederland.
Voedingsstof Geslacht Aanbeveling Inname
Alfalinoleenzuur (ALA) Omega 3 Man
Vrouw 1%
1% 0,63%
0,59%
Linolzuur (LA)
Omega 6 Man
Vrouw 2%
2% 5,8%
5,5%
EPA/DHA Man
Vrouw 450 mg
450 mg 103 mg
84 mg
Voedingsnormen volgens het Nederlands Voedingscentrum voor volwassenen en kinderen vanaf 4 jaar
Totaal vet
20-40 energieprocent, bij (neiging tot)
overgewicht 20-35 energieprocent
Verzadigd vet minder dan 10 energieprocent
Transvet minder dan 1 energieprocent
Linolzuur 2 energieprocent
Alfalinoleenzuur 1 energieprocent
EPA/DHA 450 mg
Meervoudig onverzadigd vet Minder dan 12 energieprocent
NB: Linolzuur en alfalinoleenzuur zijn meervoudig onverzadigde vetten.


