Hormoonsubstitutie in de overgang

 Het gebruik van vrouwelijke hormonen vanwege klachten in en na de overgang was al niet populair vanwege de vele risico’s die eraan kleven. Aan het rijtje kan sinds een jaar een verhoogde kans op longkanker worden toegevoegd. 

In de Angelsaksische wereld wordt aan vrouwen met overgangsklachten al jaren hormoonsubstitutie (oestrogenen en progestagenen) voorgeschreven. Nederlandse artsen waren altijd wat terughoudender, maar ook hier gebruikte in 2001 zo’n 11 procent van de vrouwen van 45-64 jaar hormoonsubstitutie1. In 2002 bleek in het Women’s Health Initiative (WHI) onderzoek, een van de grootste onderzoeken ooit gedaan naar deze middelen, dat vrouwen die hormoonsubstitutie gebruikten vaker borstkanker, eierstokkanker, beroerte en hartziekten kregen.

Longkanker

In 2009 bleek uit nieuwere analyses van dit WHI-onderzoek dat door gebruik van hormonen tijdens de overgang het risico op longkanker na vijf jaar toeneemt met 60 procent. Dr. Rowan Chlebowski, medisch oncoloog aan het Medical Center van Harbor-UCLA in Los Angeles, vond na analyse van de WHI-cijfers een verband tussen langdurige hormoonsubstitutie en longkanker van het niet-kleincellige type.

Dit is de eerste keer dat het verband met longkanker is ontdekt. Het merendeel van de negatieve publiciteit over hormoonsubstitutie in en na de overgang ging tot nu toe over het risico op borstkanker. Het toeval wil dat niet-kleincellig longkanker de meest voorkomende doodsoorzaak is onder vrouwen. Het meest kwetsbaar bleken vrouwen die roken én hormoonsubstitutie gebruikten: zij maakten iets meer dan de helft uit van alle gevallen van niet-kleincellig longkanker. In het WHI-onderzoek werd per 100 vrouwen die Prempo gebruikten (een oestrogeen/progestageen-combinatie van Wyeth) één extra sterfgeval gevonden door dit longcarcinoom.

Eierstokkanker

De bekendmaking van bovenstaand verband vond plaats op de jaarlijkse bijeenkomst van de American Society of Clinical Oncology in mei 2009. In diezelfde tijd werden de gegevens bekend uit een grootschalig langetermijnonderzoek in Kopenhagen, waarin meer dan 900.000 vrouwen van 50-79 jaar waren gevolgd. Hieruit bleek dat vrouwen die hormoonsubstitutie gebruiken hun risico op eierstokkanker met 38 procent vergroten2. Die risicoverhoging vertaalt zich in één extra ziektegeval per jaar per 8300 gebruiksters van hormoonsubstitutie ofwel 140 extra ziektegevallen in de gehele groep gedurende de totale follow-up van acht jaar. Dat betekent dat 5 procent van alle gevallen van eierstokkanker door deze risicoverhoging optreedt.

De risicoverhoging is bij eierstokkanker niet afhankelijk van de duur van de hormoonsubstitutie, noch van het soort middel dat gebruikt is, de hoeveelheid oestrogeen of de toedieningsvorm. Aangezien eierstokkanker moeilijk te diagnosticeren is en heel vaak tot overlijden leidt, mag een dergelijke risicoverhoging niet zomaar van tafel geveegd worden, aldus de Deense onderzoekers.

Schuld van hormoonsubstitutie

Tot nu toe heeft de geneeskunde steeds de opvatting gehad dat een familiaire ‘predispositie’ de schuldige is van de meeste gevallen van borstkanker. Dat wil zeggen dat borstkanker in de familie kan zitten en dat je er vatbaarder voor kunt zijn vanwege je genen. Bij het WHI-onderzoek is na filtering voor die mogelijkheid echter gebleken, dat ook hormoonsubstitutie een groot deel van de schuld op zich moet nemen.

Tijdens het vijf jaar durende WHI-onderzoek hadden meer dan 16.000 vrouwen die de overgang achter de rug hadden, hormoonsubstitutie of een placebo (nepbehandeling) gekregen, maar daar was abrupt mee gestopt toen de gezondheidsrisico’s aan het licht kwamen. Daarna hebben epidemiologen van het Medical Center van de Universiteit van Rochester (New York) deze vrouwen gevolgd. Bij hun evaluatie van de 349 vrouwen die borstkanker ontwikkelden vonden zij geen enkel verband met een familiaire voorgeschiedenis. Zij concludeerden dat familiaire aanleg en hormonen ‘zonder interactie met elkaar en onafhankelijk van elkaar hun effect hebben’. Met andere woorden: de gevonden gevallen van kanker waren hoogstwaarschijnlijk volledig te wijten aan de hormoonsubstitutie3.

Minder ziekte na de feiten

Na de onthullingen van het WHI-onderzoek nam het aantal gevallen van borstkanker met 13 procent af onder de welgestelde vrouwen in California, maar slechts met 7 procent onder vrouwen uit de meer landelijke gebieden. Toen dat verschil bleek, gingen wetenschappers van het Northern California Cancer Center op zoek naar de oorzaak. Zij ontdekten dat vrouwen in de landelijkere gebieden nog niet gehoord hadden van het verband tussen hormoonsubstitutie en kanker. Zij waren de middelen dus blijven gebruiken. Die bevinding deed eens te meer de beschuldigende vinger wijzen naar de hormonen4.

Na de publicatie van de WHI-resultaten kelderde de verkoop van de hormoonpreparaten voor overgangsklachten. Het gebruik van de producten van Wyeth daalde bijvoorbeeld met 50 procent. Toch levert de verkoop van pillen als Premarin (alleen oestrogenen) en verschillende middelen in crème-vorm nog steeds bedrijfsopbrengsten op tot een miljard dollar per jaar.

Vorige zomer sloeg de Amerikaanse autoriteit voor voedsel en geneesmiddelenbewaking, de Food and Drug Administration, de laatste nagel aan de doodskist van de hormoonsubstitutie. De waakhond stelde een zwartomrande waarschuwing verplicht op de verpakkingen van Prometrium, een progesteronmiddel, waarin de risicoverhoging wordt vermeld van hartaanval, beroerte, kwaadaardige borstkanker, bloedpropjes en diep-veneuze trombose, en dementie.Volgens het WHI-onderzoek bleek dit te gelden voor alle middelen met een combinatie van oestrogenen en progestagenen.

Lynne McTaggart. 

    1Huisarts en Wetenschap, 2003; 13: 737-737

    2JAMA, 2009; 302: 298-305

    3Epidemiology, 2009; 15 mei: doi: 10.1097/EDE.0b013e3181a71279

    4BMC Med, 2009; 26; 7: 31


Lees het hele artikel:

Bestel dit nummer of    log in als u abonnnee bent.