Van de hoofdredactie: opkomst en ondergang van een wondermiddel

Wat een pech voor die arme huisarts, dat hij nooit eens heldhaftig kan optreden omdat hij daar de middelen niet voor heeft. In tegenstelling tot zijn collega in de spoedeisende geneeskunde, die levens redt, mensen weer oplapt en dagelijks wonderen verricht. De chronische problemen blijven over voor de huisarts – van die problemen die nooit meer weggaan. Het enige wat hij te bieden heeft zijn medicijnen, die het leven van de patiënt zo aangenaam mogelijk moeten maken door de symptomen te onderdrukken, al gaat het onderliggende probleem niet weg. Daar is weinig heldhaftigs aan.
Dat is allemaal waar, met uitzondering van één soort medicijnen die de dokter de laatste zestig jaar tot zijn beschikking had. Dat waren de antibiotica, waarmee de huisarts wonderen kon verrichten. Met deze wondermiddelen loste de dokter ieder gezondheidsprobleem op. Met één krabbel op zijn receptenblok kon hij ziektes verjagen.
Geen wonder dat hij steeds maar recepten bleef uitschrijven. Zere keel? Probeer een antibioticum. Hoest uw kind? Daar heb ik een antibioticum voor. Heeft hij een oorinfectie? Neem penicilline. Hebt u een koutje of koorts of moet u soms hoesten? Neem voor alle zekerheid methicilline.
Dit oeverloze gebruik – of misbruik – van de grootste triomf van de geneeskunde is niet zonder gevolgen gebleven en heeft een superbacterie gecreëerd die resistent is voor antibiotica. Zoals ons ‘dossier’-artikel onthult, hebben wij door ons eigen gedrag een superbacterie geschapen die uit elke bacterie een superbacterie maakt, die ongevoelig is voor zelfs het sterkste antibioticum.
Alexander Fleming, die in 1928 bij toeval penicilline ontdekte, voorspelde al dat deze dag zou komen. Hij wist dat zijn ontdekking een momentopname was in een evolutionair proces van miljarden jaren. Onder zijn microscoop zag hij hoe een schimmel bacteriën had uitgeschakeld. Als hij de schimmel daar had gelaten, dan zouden de bacteriën de schimmel op hun beurt uiteindelijk weer hebben vernietigd.
Rond dezelfde tijd had in Rusland een wetenschapper ook een toevallige ontdekking gedaan. En die leek al even veelbelovend. George Eliava constateerde dat bepaalde virussen bacteriën konden doden. Toen hij dit verder uitdiepte, ontdekte hij dat elke dodelijke bacterie zijn eigen unieke aartsvijand heeft in de vorm van een virus. Dat virus sluit de bacterie in en vernietigt hem.
Deze virussen worden bacteriofagen genoemd – letterlijk: bacteriedoders – en ze vormen de basis van de faagtherapie, die de laatste dertig jaar in onbruik is geraakt. Hij heeft een aantal voordelen boven antibiotica, waarvan de belangrijkste is dat hij natuurlijke processen versterkt. Het virus is levend en muteert even snel als zijn prooi – de bacterie. Bij virustherapie bestaat er dus nooit een superbacterie, hooguit voor zeer korte tijd.
De mens – of de huisarts – mag dan slim zijn, maar de natuur is slimmer.
Bryan Hubbard

Lees het hele artikel:

Bestel dit nummer of    log in als u abonnnee bent.

Trefwoorden
antibiotica