Waarom ik niet langer een veganist ben

Kevin Gianni was vroeger een veganist die de wereld rondreisde om mensen te vertellen over zijn gezonde, veganistische raw food-dieet. Totdat hij ontdekte dat dit dieet tot voedingstekorten kan leiden en misschien niet altijd voor iedereen even gezond is. Een relaas over de voor- en nadelen van vlees.

In de zes jaar dat ik veganist was, ben ik nooit een militant bestrijder geweest van mensen die dieren aten. Maar ik maakte wel duidelijk dat hun biefstukje afkomstig was van wat ooit een levend dier was, met gevoelens, zintuigen en hersenen. Een dier dat at, sliep en met zijn vrienden speelde op de boerderij.
Als ik ergens een presentatie gaf, verkondigde ik dat iemand die op verantwoorde wijze dieren wilde eten, minstens één keer van dichtbij moest hebben gezien hoe een dier in vlees verandert. Toekijken als een dier geplukt of geslacht wordt, en als zijn ingewanden eruit worden gehaald. Naar mijn idee zou iemand die dat gezien had, minder – of helemaal geen – vlees gaan eten: een overwinning voor mij en mijn veganistische zaak.
Ik begon met veganistisch eten nadat ik gelezen had hoe gezond dat was. In tegenstelling tot veel andere veganisten, deed ik het niet omwille van de dieren. Die dierenliefde kwam pas later. Wat mij ervan overtuigde dat de veganistisch ideologie de beste was van alle theorieën over eten, waren de vele onderzoeken en ook de getuigenverklaringen van patiënten die genezen waren door veganistisch te gaan eten. De verhalen van holistische artsen zoals Alan Goldhamer en Gabriel Cousens, de ervaringen van schrijfster en kankeroverlever Kris Carr en de inzichten van voedingsdeskundigen als Vesanto Melina en Brenda Davis, de auteurs van Vegetarisch eten. Voor mij was dit allemaal bewijs dat je datgene moest eten wat onder aan de voedselketen staat.
Maar als veganisme het beste was van alle diëten, hoe kon het dan dat ik zoveel hoorde over een tekort aan voedingsstoffen bij mensen die al langere tijd veganist waren? Susan Schenck, auteur van The live food factor, een populair boek in de raw vegan beweging, stelde zichzelf ook die vraag. Ondanks haar enthousiasme voor het dieet kreeg ze langzaam maar zeker de indruk dat veganisme haar gezondheid ondermijnde. Ze kreeg last van een opgeblazen gevoel, een tekort aan vitamine B12 en D, en geheugenverlies. Op zeker moment vergat ze zelfs het telefoonnummer van haar man: toen besefte ze dat ze vlees nodig had. Het duurde niet lang voordat ze een boek schreef over haar nieuw opgedane ervaringen, met de toepasselijke titel Beyond broccoli.
Doen mensen zoals Susan en ik het veganistisch dieet onrecht aan? Of past het dieet op de lange duur inderdaad niet goed bij ons DNA? Ik ben ervan overtuigd dat de twijfel die ik ervaar een van de redenen is waarom Amerikanen zo geobsedeerd zijn door vlees. Volgens de VN eet de gemiddelde Amerikaan 122,5 kilo vlees per jaar.1 Dat is veel. Alleen Luxemburgers consumeren meer vlees per hoofd van de bevolking. Aangezien vlees lekker smaakt en rijk is aan eiwitten, is het logisch dat we er meer van willen eten, en dat gaat ten koste van de hoeveelheid plantaardig voedsel die we consumeren. Een in de pan gebakken, doorregen riblapje is nou eenmaal aantrekkelijker dan rauwe, zouteloze, kale kool.
Bovendien zijn we nooit echte vegetariërs geweest. We eten al vlees sinds de mensheid bestaat. Dat is geen hoopvolle informatie voor de dierenbescherming en haar aanhangers. Het doet vermoeden dat er iets is dat tussen veganisme en de gulzige Amerikaanse vleesobsessie ligt: dierlijke voedingsmiddelen zijn een onmisbaar onderdeel van ons menu zijn.
Volgens een artikel van het Nature Education Knowledge Project was ‘de eerste belangrijke, evolutionaire verandering in het dieet van de mens de opname van vlees en merg van grote dieren, minstens 2,6 miljoen jaar geleden.’ Het bewijs daarvoor zijn sporen van slacht op fossiele beenderen.2 Dus voor onze evolutie, fysiologie en mens zijn is vlees waarschijnlijk net zo belangrijk als seks, water en lucht.
Chris Kresser, auteur van de bestseller Your personal paleo code, zegt dat er inmiddels heel wat onderzoek is dat erop wijst dat het eten van vlees ons in eerste instantie tot mens heeft gemaakt. ‘Voordat we vlees gingen eten, moesten we de hele dag plantaardig materiaal eten om in onze energiebehoefte te voorzien. Vlees is echter een zeer geconcentreerde voedingsbron, rijk aan voedingsstoffen, die ons in staat stelt sneller meer voedingsmiddelen binnen te krijgen. Dat heeft ervoor gezorgd dat onze hersenen groter konden worden én het gaf ons de tijd om andere dingen te doen dan de hele dag op planten kauwen, wat veel primaten doen. Die eten acht tot negen uur per dag om hun lichaam op gewicht te houden en in hun energiebehoefte te voorzien, aangezien hun voeding geen hoge voedingsstoffendichtheid heeft.’
Wat echter lastiger is om vast te stellen, is de hoeveelheid vlees die we nodig hebben. Bij inheemse volkeren varieert de hoeveelheid vlees die ze eten enorm, afhankelijk van factoren zoals klimaat en beschikbaarheid. Onder jager-verzamelaars heb je de Inuit in Noord-Canada, bij wie het menu voor meer dan 90 procent uit dierlijke voedingsmiddelen bestaat, terwijl dat bij de San in zuidelijk Afrika nog geen 10 procent is. Als we uitgaan van grote verschillen in de vleesconsumptie bij onze vroege voorouders, lijkt het erop dat we ons kunnen aanpassen aan verschillende hoeveelheden vlees op ons bord.
Maar wij zijn niet meer hetzelfde als die oermens. Onze hedendaagse manier van vlees eten begon ergens tussen 8000 en 6000 v. Chr., toen jager-verzamelaars plaatsmaakten voor landbouwers, en geiten de eerste dieren werden die we fokten.3 Het probleem is dat onze obsessie voor vlees de overhand heeft gekregen. We namen de verkeerde afslag toen we besloten dieren uit hun natuurlijke omgeving te halen en ze in steeds kleinere ruimtes op te sluiten. En we raakten helemaal de weg kwijt toen we besloten om ze eten voor te schotelen dat ze in de natuur nooit zouden eten, allemaal om ze vet te mesten. Toen zelfs dat niet genoeg was, pompten we ze vol groeihormonen, om er vervolgens achter te komen dat ze antibiotica nodig hadden omdat ze ziek werden door al dat onnatuurlijke voedsel en die extra hormonen [zie kadertekst].
Dat is onze moderne vleesindustrie: afschuwelijk, wreed en ongezond voor zowel dier als mens.

Vlees is geen vlees meer
Commercieel gefokte dieren zijn constant ziek. Volgens de Organic Consumers Association, een non-profitorganisatie die zich inzet voor duurzaam, eerlijk en gezond voedsel, heeft 80 procent van de Amerikaanse varkens een longontsteking op het moment van slachting.4 En in The omnivore's dilemma schrijft Michael Pollan dat 30 procent van het Amerikaanse vee bij slachting een abces in de lever heeft, een aanwijzing dat het bloed van het dier geïnfecteerd is.5
Van dit soort vlees, afkomstig van dieren die vergeven zijn van hormonen en ziekten, worden we ziek als we het eten. Niet van het vlees van dieren die leven en eten zoals de natuur dat bedoeld heeft. Een goede aanwijzing is de hoeveelheid omega 3 die in het vlees aanwezig is. Omega 3 is een essentieel vetzuur, dat de gezondheid van de cellen bevordert, de celmembranen versterkt en ontstekingen in het lichaam tegengaat. Ons lichaam maakt zelf geen omega 3; we kunnen deze stof alleen uit onze voeding halen. Belangrijke leveranciers zijn vis, noten en vlees. Maar niet al het vlees bevat evenveel van deze essentiële voedingsstoffen.
Onderzoekers van het Noord-Ierse Centrum voor voeding en gezondheid van de Universiteit van Ulster ontdekten dat mensen die vlees aten van met gras gevoerde dieren, meer omega 3 in hun lichaam hadden dan degenen die vlees aten van commercieel gefokte dieren, die ‘krachtvoer’ kregen: een mengsel van vetten, oliën, granen, ruwvoer en de bijproducten van onze voedselverwerking.6
Een literatuuronderzoek uit 2010 door landbouwspecialisten in Californië liet zien dat het vlees van bepaalde runderrassen 2 tot 5 keer zoveel omega 3 bevat wanneer de dieren gras te eten krijgen in plaats van granen.7 Denk u eens in: dat is voedsel dat 2 tot 5 keer zo gezond is en waarvan ook de ontstekingsremmende werking 2 tot 5 keer zo hoog ligt. Dat vegetariërs het eten van dieren demoniseren is dus deels gerechtvaardigd: het meeste vlees dat Amerikanen en Europeanen eten is slecht. Maar een bieflapje of lamskoteletje van een dier dat gras heeft gegeten is heel veel gezonder dan het commercieel geproduceerde vlees.
En hoe zit het met varkens, kippen en vis? Over de hele linie geldt dat elk dier dat in gevangenschap wordt grootgebracht bepaalde voedingstekorten heeft.
Kippen lijden vaak aan het zogeheten cage layer fatigue, een aandoening waarbij stress door te krappe behuizing en een gebrek aan calcium hun poten verzwakt, waardoor ze door hun poten zakken.8 Maar bijvoorbeeld wilde varkens wroeten met hun snuit in de aarde, waar ze ijzer en sporenelementen vinden. Dat lukt ze niet in gevangenschap, dus geven varkensfokkers de dieren mineraalsupplementen. Soms is dat onvoldoende.

Waarom zouden we vlees eten?
Schrijver Chris Kresser geeft vijf redenen waarom het eten van dieren ons gezonder kan maken: het bevat verteerbaar eiwit, actieve vitamine A, vitamine B12, ijzer en omega 3-vetzuren. Hij gebruikt de PDCAAS-schaal (Protein Digestibility Corrected Amino Acids) om te beoordelen hoeveel essentiële aminozuren een bepaalde eiwitbron bevat. Hij vertelt: ‘Dierlijke eiwitten zijn wat dat betreft meestal van hogere kwaliteit dan plantaardige eiwitten. Deze indexering is uniek omdat er niet alleen gekeken wordt naar wat er in het voedsel zit, maar naar wat er verteerd en in het lichaam opgenomen wordt. Studies die de PDCAAS-schaal gebruiken, laten zien dat vrijwel alle dierlijke eiwitten een hogere biologische beschikbaarheid hebben [er komen meer voedingsstoffen in het lichaam terecht] en beter worden opgenomen dan plantaardige eiwitten.’
De eiwitverteerbaarheidschaal loopt van 0 tot 1,0. De hoogste score is de beste door het lichaam te verteren en op te nemen bron van eiwit [zie kadertekst]. ‘Het is vrij duidelijk,’ zegt Kresser. ‘Als je zoekt naar verteerbare eiwitten, dan vind je die bij dieren.’
Maar even voor al mijn veganistische vrienden, van wie het bloed inmiddels kookt: dit betekent helemaal niet dat we al onze eiwitten uit dieren moeten halen. Het betekent alleen maar dat dieren een goed verteerbare eiwitbron vormen. Dat heeft deels bijgedragen aan ons vermogen om als soort goed te gedijen.
Een veganistisch dieet kan echter wel een probleem vormen voor mensen met bepaalde genetische variaties. ‘Sommige genmutaties beïnvloeden ons vermogen om minder actieve vormen van bepaalde voedingsstoffen uit plantaardige voeding om te zetten in actievere vormen,’ legt Kresser uit. Als uw lichaam bijvoorbeeld bètacaroteen niet kan omzetten in actieve vitamine A, krijgt u uiteindelijk een tekort. Dat kan nare gevolgen hebben, zoals slecht zien in het donker, een droge huid, die ruw en vlekkerig is, en het ergste van alles: een zwak immuunsysteem.
Kresser ontdekte dat velen van ons met hetzelfde probleem kampen: darmen die niet goed in staat zijn plantaardige voeding te verteren en de voedingsstoffen die we daaruit nodig hebben te absorberen. ‘Sommige mensen hebben bacteriën die helpen om de voedingsmiddelen in planten op te nemen, maar anderen hebben veel moeite om de voedingsstoffen uit planten te halen.’ De vorm van een bepaalde voedingsstof is in planten vaak anders dan de vorm die in vlees wordt aangetroffen. Neem bijvoorbeeld ijzer: non-heemijzer uit planten is minder goed beschikbaar voor het lichaam dan heemijzer uit vlees, waardoor vegetariërs meer kans lopen op een ijzertekort.
Mensen die geen dierlijke eiwitten eten, hebben ook vaker een tekort aan vitamine B12. Vitamine B12 is nodig voor de synthese (samenstelling) van DNA en rode bloedcellen. Dus een tekort aan B12 kan allerlei ellende veroorzaken, van bloedarmoede en vermoeidheid tot geheugenverlies, neurologische problemen en psychiatrische aandoeningen. Volgens Kresser blijkt uit proeven dat 68 procent van de vegetariërs en 83 procent van de veganisten een tekort aan B12 heeft, terwijl dat bij vleeseters slechts 5 procent is.
Ten slotte is er nog het probleem dat het lichaam plantaardige vetzuren niet goed kan omzetten in de essentiële omega 3-vetzuren DHA (docosahexaeenzuur) en EPA (eicosapentaeenzuur). Die omega 3-vetzuren zijn te vinden in vlees, vis en zeewier, maar niet in planten. Ze zijn van cruciaal belang voor de ontwikkeling van de hersenen, en blijven gedurende ons hele leven een grote rol spelen voor onze cognitie, stemming en gedrag. Aangezien ons lichaam alleen omega 3 kan aanmaken als we een adequate externe bron hebben, zal ons gehalte aan omega 3 niet optimaal zijn als we geen dieren eten. Dat is dus schadelijk voor de gezondheid van onze hersenen.
Zowel artsen, media als deskundigen op het gebied van veganistische voeding houden nog altijd vast aan het idee dat vlees eten – althans rood vlees – waarschijnlijk tot een vroege dood leidt. Maar deze theorie is grotendeels terug te voeren op het werk van Ancel Keys, een Amerikaans arts die halverwege de vorige eeuw het 'Zeven Landen Onderzoek' startte: een longitudinaal onderzoek dat keek naar het verband tussen voedingspatroon, leefstijl en ziekten.
De onderzoeksresultaten brachten hart- en vaatziekten in verband met het eten van veel verzadigd vet, dat in vlees zit.9 Maar in de decennia daarna is men de gebreken van dit onderzoek gaan inzien: Keys keek alleen naar gegevens uit landen waarvan de resultaten overeenkwamen met zijn ideeën. Maar hoe gebrekkig het onderzoek ook was, de conclusie is blijven hangen.
Toch laten recente studies ‘geen verband zien tussen verzadigd vet uit vlees en hart- en vaatziekten,’ zegt Kresser. ‘Veel onderzoek laat zelfs een omgekeerd verband zien tussen de consumptie van verzadigd vet en beroertes, wat betekent dat mensen die meer verzadigd vet aten hun kans op een beroerte verminderden.’10
De tweede mythe die Kresser onderuithaalt, is dat het eten van vlees dikkedarmkanker veroorzaakt. In een literatuurstudie van 35 onderzoeken waarin de twee met elkaar in verband werden gebracht, vonden de onderzoekers geen duidelijk bewijs van een oorzakelijk verband. De resultaten wijzen juist op het tegendeel: de kans op dikkedarmkanker door het eten van vlees was minder dan 50 procent.
Er is echter wel een sterk verband tussen verschroeid vlees en kanker. Als vlees bij hoge temperaturen wordt bereid, komen er stoffen vrij waarvan bewezen is dat ze kankerverwekkend zijn. Maar diezelfde stoffen ontstaan ook als we groenten laten verbranden. Kresser geeft het advies om voedsel minstens een uur voordat u het roostert of grilt, te marineren. Daarmee vermindert u potentiële giftige bijproducten.

Minder is beter
Ik heb geconcludeerd dat dierlijke eiwitten een essentieel onderdeel zijn van de menselijke voeding – althans die van mij – maar ik weet nog steeds niet hoeveel ik ervan moet eten. Hier kunnen de langstlevende moderne culturen een oplossing bieden: de zogeheten ‘blauwe gebieden’.
De overeenkomst tussen al deze gebieden, merkt onderzoeker Dan Buettner op, is dat ze weinig vlees eten vergeleken met de bevolking van Noord-Amerika en het grootste deel van Europa. In de meeste van deze culturen wordt vlees voor speciale gelegenheden gereserveerd. Voor de Sardiniërs zijn dat bijvoorbeeld de zondagen. De bevolking van het Griekse eiland Ikaria serveert bij speciale gelegenheden geit, maar eet verder veel vis. Op het Japanse eiland Okinawa eten de mensen zowel vlees – meestal varkensvlees – als vis, maar spaarzaam. De zevendedagadventisten in Californië zijn grotendeels vegetarisch; de weinigen die vlees eten, serveren het slechts als bijgerecht.
De inwoners van Nicoya in Costa Rica vormen de enige cultuur binnen de blauwe gebieden die geregeld vlees eten, maar zelfs zij consumeren veel minder dan de gemiddelde Amerikaan.11
Dus welk dieet u ook kiest, het eten van meer plantaardige en minder dierlijke producten lijkt de les te zijn die we van hedendaagse ouderdomsstudies kunnen leren. Ik geloof nog steeds dat een beetje dierlijke voeding, misschien zelfs van runderen, schapen en varkens, iets is waar de meeste mensen behoefte aan hebben. Maar als u het gevoel hebt dat u alleen plantaardige voeding moet eten, ga daar dan voor.
Er zijn altijd manieren om een veganistisch dieet zo samen te stellen dat u bijna alle voedingsstoffen binnenkrijgt die uw lichaam nodig heeft. Ik zei 'bijna': u kunt nog steeds een tekort krijgen. Ik wil veganisten op het hart drukken uit de buurt te blijven van die aantrekkelijk verpakte voedingsmiddelen als soja-kipnuggets, vlees gemaakt van maïseiwit en nepkalkoen van tarwe-eiwit en soja. Die producten zijn berucht omdat ze zo slecht verteerd worden, genetisch gemodificeerde eiwitten en voedseladditieven bevatten, en een lage voedingswaarde hebben. Kies voor echt eten.
Vergeet niet dat een plantaardig dieet zijn plaats heeft verworven als heilzame voeding, omdat wat u níet eet – bewerkte voedingsmiddelen, genetisch geproduceerde soja, met hormonen doorspekte melkproducten – belangrijker is dan wat u wél eet. Daarom kan het veganistisch dieet of zelfs rauwe voeding zo heilzaam zijn als therapie op de korte – of middellange – termijn.
Welk dieet u ook kiest, ga altijd na of het goed voor u is door de resultaten te meten met behulp van regelmatig bloedonderzoek en laat u daarbij begeleiden door een professional die weet hoe hij de uitkomsten van dat onderzoek moet interpreteren. Veganisten moeten vooral alert zijn op lage ijzer- en hormoonwaarden en een te laag cholesterol: dat zijn aanwijzingen dat uw dieet mogelijk negatief effect heeft op uw gezondheid en uw levensverwachting.
Maar als u wel dierlijke voeding gebruikt, is het net zo belangrijk om uw gezondheid in de gaten te houden. Als u een tekort hebt aan bepaalde voedingsstoffen en hormonen, kan het zijn dat u meer vlees of vis moet eten. Als uw waarden aan de hoge kant zijn, kan het echter zijn dat uw vleesobsessie teveel uw voedingspatroon bepaalt.

[Literatuur:]
1 'Kings of the Carnivores'. Economist Online, 30 april 2012; www.economist.com/blogs/graphicdetail/2012/04/daily-chart-17
2 Pobiner B. 'Evidence for Meat-Eating by Early Humans'. Nature Education Knowledge, 2013; 4: 1; www.nature.com/scitable/knowledge/library/evidence-for-meat-eating-by-early-humans-103874273
3 Owen J. 'Goats Key to Spread of Farming, Gene Study Suggests'. National Geographic News, 10 oktober 2006; http://news.nationalgeographic.com/news/2006/10/061010-goats-history.html
4 Organic Consumers Association. 'Disturbing Facts on Factory Farming and Food Safety'; www.organicconsumers.org/old_articles/Toxic/factoryfarm.php
5 Pollan M. The Omnivore's Dilemma: A Natural History of Four Meals. Large Print Press, 2007: 78
6 Br J Nutr, 2011; 105: 80-9
7 Nutr J, 2010; 9: 10
8 PLoS One, 2008; 3: e1545
9 Acta Cardiol, 1999; 54: 155-8
10 Circulation, 2001; 103: 856-63
11 Buettner, D. ‘Reverse engineering longevity’; www.bluezones.com op 9 april 2014

Wat zit er in uw vlees?
Als u een riblapje bij de slager koopt, zit er geen lijst met ingrediënten op geplakt, zoals bij een pak cornflakes of een blik soep. U denkt dat wat u koopt alleen vlees is, maar vaak is dat niet het geval. Tenzij het vee met gras is gevoerd of het vlees biologisch is, bevat veel rund-, kippen- en varkensvlees allerlei stoffen die gebruikt zijn om de dieren vet te mesten en te voorkomen dat ze ziek worden.
Hormonen
Veefokkers willen zoveel mogelijk aan hun dieren verdienen, dus het hoeft u niet te verbazen dat de meeste dieren die voor de vleesindustrie worden gefokt, groeihormonen krijgen.
De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) houdt vol dat hormonen geen kwaad kunnen, maar niemand lijkt zich zorgen te maken over het cumulatieve effect van deze toegevoegde hormonen. Met andere woorden: wat gebeurt er als we voortdurend een klein beetje ervan binnenkrijgen? Volgens Craig Minowa, een milieuwetenschapper bij de Oragnic Consumers Association, wordt het meeste onderzoek gefinancierd door de vleesindustrie zelf en er worden nooit risico’s ontdekt. Er zijn echter onafhankelijke studies die een verband leggen met bepaalde soorten kanker.1
Antibiotica
Boeren geven hun vleesvee geregeld antibiotica om de ziekten tegen te gaan die ze in de onhygiënische en ongezonde megastallen kunnen oplopen
In de VS gaat zelfs 80 procent van het antibioticagebruik naar de vleesindustrie.2 In Nederland is het aantal standaarddoseringen antibiotica per 1000 dieren gemiddeld 45 per dag. Ter vergelijking: bij mensen in Nederland is dat 11 doseringen per 1000 inwoners. Door het gebruik van antibiotica in de intensieve veehouderij worden bacteriën steeds vaker resistent. Daardoor werkt antibiotica ook niet goed meer bij mensen. De Nederlandse overheid heeft zich tot doel gesteld het antibioticagebruik in de veehouderij terug te dringen.3
In een onderzoek dat in 2001 in een vooraanstaand medisch tijdschrift werd gepubliceerd, bleek dat 84 procent van de salmonellabacteriën die werden aangetroffen in rundergehakt in Amerikaanse supermarkten, resistent was voor antibiotica.4

1 ‘Safer food for a healthier you’. organicblog.co.za, 1 augustus 2013
2 ‘The Overuse of Antibiotics in Food Animals Threatens Public Health’ ConsumersUnion; http://consumersunion.org/news/the-overuse-of-antibiotics-in-food-animals-threatens-public-health-2/
3 www.compendium voor de leefomgeving.nl
4 N Engl J Med, 2001; 345: 1147-54

Dit artikel komt uit het boek van Kevin Gianni, Kale and coffee: a renegade’s guide to health, happiness and lengevity (Londen: Hay House, 2015) ...

Lees het hele artikel:

Bestel dit nummer of    log in als u abonnnee bent.

Trefwoorden
veganisme eiwitten