Effectieve therapie bij oorsuizen

Cognitieve gedragstherapie (Cgt) tegen tinnitus of oorsuizen is erkend als behandeling op Europees niveau. Het gaat om de ontwikkelde therapie van de Universiteit Maastricht (UM). Patiënten met ernstige tinnitusklachten hebben zoveel baat bij de aanpak dat de gedragstherapie in de nieuwe Europese behandelrichtlijn is opgenomen.

Een op de vijf mensen kan een vorm van oorsuizen waarnemen, maar in de meeste gevallen went het brein eraan en wordt ‘de piep in het oor’ niet opgemerkt. Als dit mechanisme echter niet meer goed werkt, mondt het oorsuizen soms uit in ernstige tinnitusklachten, volgens de onderzoekers. De klachten van fantoomgeluiden kunnen dan het beste vergeleken worden met chronische pijnklachten.

Angst uitdoven

In de medische wereld wordt al jaren gezocht naar een afdoende behandeling van tinnitus. In 2012 werd Ctg ontwikkeld tegen oorsuizen door onderzoeker dr. Rilana Cima in samenwerking met klinische experts van Adelante Audiologie & Communicatie, het MUMC+ en professor Johan Vlaeyen.

‘Een medische oorzaak is niet te vinden, dus qua behandeling kun je beter focussen op het dagelijks functioneren van mensen met die klachten. Net als bij een spinnenfobie is ook bij tinnitus sprake van een sterke angstreactie. Wij trainen mensen eigenlijk om die angstreactie uit te doven’, aldus Cima.

Vergoeding

Sinds begin dit jaar wordt de behandeling vergoed uit de basisverzekering. Voor behandelingen kunnen mensen terecht bij twee zorgcentra: Adelante Audiologie & Communicatie in Hoensbroek en bij Libra Revalidatie & Audiologie Eindhoven.

In het verleden zocht de universiteit naar aanknopingspunten in de aard of het volume van het waargenomen geluid, in het toedienen van tegengeluid of in de persoonlijkheid van de patiënt. Cima: ‘Maar geen van die invalshoeken bleek enig effect te hebben op of een relatie te hebben met tinnitusklachten.’ Daardoor bestaat de standaardbehandeling van tinnitus vooral uit geluidmaskeerders, maar volgens Cima is dat slechts symptoombestrijding.

Bron: Maastricht University