Stuur niet op beroepen, maar op bekwaamheden

Vrijdagochtend 1 mei, de praktijkcomputer wordt net opgestart en het is meteen raak: telefoon. “Wat fijn dat jullie weer open zijn, ik verga al weken van de rugpijn. Hebben jullie misschien nog een plekje vandaag?”

“Uh…, mevrouw, helaas, wij zitten potdicht.”

“Heb je echt geen plekje meer dan? Ik kan amper rechtop komen.”

“Nee, dat is het niet, plek genoeg, maar het ministerie van VWS heeft alle complementaire zorg waarbij contact binnen de anderhalve meter plaatsvindt, verboden.”1

“Maar de fysio mag toch behandelen in urgente gevallen? Dan mogen jullie dat toch zeker ook?”

“Zou je denken, nietwaar? Maar dat is niet zo. Tot vorige week mochten we urgente gevallen nog wel behandelen, maar vanaf die dag niet meer. Het enige dat ik nu kan doen, is u aanraden toch de fysio te bellen en te kijken of die iets voor u kan betekenen…”

En zo verloopt de hele ochtend, gesprek na gesprek waarin we steeds opnieuw proberen uit te leggen wat niet uit te leggen valt: “U mag wel naar de fysio, maar niet naar de chiropractor.” De scheiding tussen het reguliere en het complementaire zorgveld is van het ene op het andere moment weer pijnlijk duidelijk geworden.

Deze tweedeling is feitelijk vastgelegd in 1997 in de wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, beter bekend als de wet BIG. In de praktijk komt dit erop neer dat BIG-geregistreerde beroepen, zoals de fysiotherapeut, gezien worden als regulier en alle andere zorgverlening als complementair.

De laatste jaren dringt het besef door dat een dergelijke harde grens niet meer van deze tijd is. Eind 2019 verscheen het rapport B van bekwaam van de Raad Volksgezondheid en Samenleving (RVS) onder leiding van hoogleraar en oud-minister Jet Bussemaker, over de toekomstbestendigheid van de wet BIG.2 In dat rapport geeft de RVS aan dat deze wet niet geschikt is voor de huidige veranderende zorgwereld, waarin nieuwe competenties en gespecialiseerde beroepsprofielen snel toenemen. De RVS pleit ervoor om niet langer op beroepen te sturen, maar op bekwaamheden. Concreet kan dit betekenen dat het niet van belang is of een professional fysiotherapeut, orthomanueel arts, chiropractor of osteopaat is. Van belang is of diegene bekwaam is in het verlenen van op evidentie gebaseerde wervelkolomzorg. Er zijn immers meerdere wegen naar Rome.

In de wetenschappelijke literatuur is deze overtuiging al jaren gangbaar. Trials en de resultaten die daaruit voortvloeien, worden niet op een beroepsprofiel beoordeeld, maar op de effectiviteit van een interventie. Simpel gezegd, iedereen die onderbouwd kennis heeft vergaard, kan een oefening ter versterking van de rugspieren voorschrijven. Dat kan een fysiotherapeut, oefentherapeut, chiropractor of huisarts zijn. Hetzelfde geldt natuurlijk voor behandeling: door wie manipulatie van de wervelkolom wordt verricht, is irrelevant. Relevant is of de behandelaar bekwaam is in het manipuleren, deze handeling veilig verricht en of hij op een deskundige manier beoordeelt wanneer dit wel of niet gepast is.

In 2018 verscheen er in het meest toonaangevende wetenschappelijke medische tijdschrift The Lancet een serie artikelen over ’s werelds nummer 1 fysieke handicap: rugpijn.3 De auteurs, een multidisciplinaire team van professoren, artsen, chiropractoren en onderzoekers schetst het enorme probleem dat rugpijn wereldwijd geworden is. Gebaseerd op hun uitvoerige analyse van beschikbare literatuur doen ze een aantal aanbevelingen over evidence-based rugzorg. De behandeling dient in elk geval het advies om actief te blijven (geen bedrust) en educatie te omvatten. Dit kan aangevuld worden met manipulatie, massage en/of acupunctuur. Voor sommige patiënten kan training en/of cognitieve gedragstherapie behulpzaam zijn. Medicatie als paracetamol, spierverslappers, anti-epileptica en opioïden worden niet aangeraden, mede omdat er een groot gebrek aan ondersteunend bewijs is voor de effectiviteit van deze middelen.

In het huidige coronatijdperk wordt veel gevraagd van onze zorgverleners. Deze helden maken lange uren, cijferen zichzelf weg voor het grotere belang en verbijten veelal de eigen (rug)pijn zolang dat gaat. Maar ook hen kan het te veel worden en dan kan behandeling noodzakelijk zijn. Juist in tijden van crisis moeten zij naar een professional kunnen gaan die zij vertrouwen en waarvan zij weten dat deze goede resultaten geeft. Het besluit van het ministerie van VWS de deuren van het complementaire veld te sluiten, maakt dat mensen met vitale beroepen en met pijn in een crisissituatie niet terecht kunnen bij de door hen geprefereerde zorgverlening.

De drie pijlers van evidence based zorg: gebruikmaken van het beste beschikbare bewijs, competenties van de zorgverlener en preferentie van de patiënt worden door dit besluit keihard terzijde geschoven.

En dat terwijl nagenoeg iedereen in het land er van doordrongen is dat we deze crisis samen moeten oplossen. Dit vraagt om nieuw denken, nieuwe omgangsvormen en nieuwe gewoontes. Het is zeker niet de tijd om het medisch veld nog verder te belasten door uitval van zorgverleners. Artsen zitten momenteel bovendien niet te wachten op rugpatiënten, waarvoor zij – zie het artikel in The Lancet –niet degenen zijn met de beste interventies in hun behandelarsenaal. Het is nu de tijd om over achterhaalde grenzen heen te kijken, om alle aanwezige kennis en vaardigheden in de zorg die op evidentie gebaseerd zijn in te zetten, zeker voor onze helden in de zorg.

Vrijdagochtend 8 mei, de praktijkcomputer wordt net opgestart en het is wederom meteen raak: telefoon. “Wat fijn dat jullie weer open zijn, ik verga al weken van de rugpijn. Hebben jullie misschien nog een plekje vandaag?”

“Jazeker, mevrouw. Vandaag mag nog niet van het ministerie van VWS, maar wanneer u verder geen gezondheidsklachten heeft, bent u maandagochtend van harte welkom.”

Igor Dijkers – Chiropractor
www.chiropractieharderwijk.nl
igor@chiropractieharderwijk.nl

Lees ook het interview met Igor Dijkers van februari 2020 – Klachten na hersenschudding. Chronisch of toch niet?

Foto: Ria Teeuw

Bronnen
1. www.rijksoverheid.nl
2. www.raadrvs.nl
3. 2018 Jun 9;391(10137):2368-2383